(Ver)Rek de regels

In het onderwijs horen we de laatste jaren steeds meer klachten over de geldende spelregels en het gevoel dat er steeds minder speelruimte is om het werk goed te doen. Elk incident levert nieuwe beperkende regels op in plaats van dat het incident zelf wordt aangepakt. De neiging om elk risico te willen uitsluiten en/of uit te sluiten, alsof de maatschappij maakbaar zou zijn, manifesteert zich in toenemende regeldruk en verantwoording.

 

De toekomst is al begonnen

In zijn boekje “De toekomst is al begonnen” schetst Peter van der Wel dat de informatievoorziening steeds sneller, beter, goedkoper en gemakkelijker de wereld rond gaat. Voor mensen en bedrijven is het een hele toer om dat te kunnen bevatten, laat staan bij te houden. Tegelijk zien we dat er ongemerkt al veel gebruik wordt gemaakt van de beschikbare mogelijkheden. Voor het onderwijs is het een uitdaging om de afstand met de arbeidsmarkt klein te houden en aandacht te geven aan beroepen van de toekomst. Echter, de verandersnelheid van het onderwijs schuurt met het tempo van de technologische ontwikkelingen. De bestaande traditionele regels vertragen het ontwikkeltempo.

 

Ruimte in regels

Begin dit jaar leek het erop dat de signalen uit het onderwijs gehonoreerd zouden worden. Er verscheen een boekje: “Ruimte in regels”. Hoewel ik niet twijfel aan de goede bedoelingen van de schrijver(s), heeft het boekje maar liefst 68 pagina’s nodig om enige uitleg te geven aan welke ruimte er is binnen de bestaande regels. Zegt dit op zich niet al genoeg!? Op geen enkele pagina wordt gesproken over het aanpassen of inperken van de regelgeving, laat staan het introduceren van nieuwe regels ondanks die enorm snel veranderende context om ons heen. Jammer genoeg ontbreken voorbeelden die bij ROC’s voorhanden zijn.

 

Algemene Verordening Gegevensbescherming

Iedereen heeft de afgelopen maanden te maken gehad met de wet Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), een set van spelregels, waarmee onze privacy wordt beschermd. In de praktijk blijkt echter, dat de regels veel beperkingen opleggen en allerlei vragen oproepen bij het uitvoeren van “normale” processen. Het lijkt me niet meer dan logisch dat, als je wilt deelnemen aan een gemeenschap, je je als individu ook kenbaar wilt maken in die gemeenschap. Mensen gebruiken daarin nieuwe technologie het liefst om te doen wat ze altijd al deden, maar wel als het daardoor sneller, gemakkelijker of goedkoper wordt.

 

Op reis met de technologie

Hoe raar het is om dan bestaande regels te willen handhaven, wil ik graag schetsen aan de hand van een praktisch voorbeeld.

Voordat ik in de herfstvakantie op pad ging, maakte ik gebruik van de elektronische check-in op Schiphol. Ik kreeg vooraf de instapkaart in de Wallet van mijn iPhone, wat veel tijd op het vliegveld zelf scheelde. Onze auto parkeerden we op Lang Parkeren. Met de kentekenherkenning was het eenvoudig inrijden (en bij terugkomst weer eenvoudig uitrijden), de betaling verliep automatisch. Via de ANWB (als trouw lid) had ik vooraf een huurauto met alle verzekeringen vanuit Nederland geregeld, de auto kon ik bij een partnerbedrijf op het vliegveld ter plaatse ophalen, geen extra administratie, alle gegevens waren bekend, alleen de check op het rijbewijs was nodig. Via Booking.com had ik al wat hotelkamers in diverse plaatsen gereserveerd, en omdat ik vaste klant ben, ontving ik een korting. Mijn evaluaties leveren op. Via de app Citymaps2Go had ik een aantal bezienswaardigheden voor elke stad kunnen aangeven, alsmede de locatie van het hotel. Overigens geeft de app zelf ook veel suggesties, uiteraard gebaseerd op mijn profiel. In de stad zelf kon ik met behulp van GPS gericht naar de juiste bestemming lopen. Natuurlijk heb ik onderweg de nodige foto’s genomen en gedeeld op Facebook (zonder nadenken met al mijn Facebookvrienden in plaats van alleen met intimi).

Een andere fijne app is Polarsteps, waar je je reis vastlegt aan de hand van locaties waar je bent geweest en foto’s die je daar hebt genomen. Je kunt vrienden uitnodigen om mee te kijken door hen toegang te geven tot je account (wat je natuurlijk doet).

 

Leren buiten het schoolgebouw

Al deze simpele, doodgewone zaken laten zien dat “Big Brother is watching you” ook een heel aangename kant heeft en het leven leuker en handiger maakt doordat nieuwe technologieën beschikbaar komen én gebruikt worden. Als dit nu al om ons heen werkelijkheid is, waarom zou dat niet op vergelijkbare wijze in ons beroepsonderwijs kunnen werken?

Nieuwe aanbieders houden niet vast aan onderwijs in lokalen met één docent op een grote groep studenten. Kijk maar naar initiatieven als Ted Talks, MOOC’s en Duolingo. Onderwijs 3.0 bestaat al, maar veelal buiten de muren van een schoolgebouw. Leren is niet meer per definitie gelijk aan naar school gaan. Nieuwe leermethoden wijken op een aantal punten af van de traditionele leermethoden. Zij zijn niet tijdgebonden, niet kalendergebonden, niet plaatsgebonden, niet gebonden aan medeleerlingen, niet gebonden aan vakkenpakketten en niet gebonden aan één docent.

ROC Rivor heeft al initiatieven genomen om bestaande (achterhaalde) paradigma’s achter zich te laten: verbreden van het beroepsonderwijs (MBO2 breed), omgekeerd leren, praktijklabs, diplomaroute’s en leerbedrijven in, maar vooral ook buiten de school.

 

Het zijn deze (en ongetwijfeld veel meer) initiatieven die vragen om een andere kijk op de bestaande regels. Nee, ze vrágen zelfs om andere regels!

De prachtige risico’s van onderwijs

Op donderdag 2 februari rijd ik vol verwachting naar het regiokantoor van Rabobank West Betuwe in Geldermalsen. Vier van onze studenten (Commercieel medewerker, niveau 3) gaan daar de bevindingen presenteren van hun onderzoek naar hoe jongeren bankieren. Bij aankomst word ik naar een mooie, grote vergaderzaal gebracht. De studenten hebben zich geïnstalleerd, alle spullen staan klaar en ze kunnen dus al hun aandacht geven aan het ontvangen van de toehoorders. Dat is een mooi publiek: een aantal managers en medewerkers van de bank, de docent en begeleider van ROC Rivor. Er is een gezonde spanning voelbaar. Bij de studenten; want deze presentatie is toch wat anders dan in een schoolomgeving voor je klasgenoten staan. Maar ook bij het publiek; wat mogen wij verwachten?

Na een korte voorstelronde en een toelichting op de taakverdeling gaat de presentatie van start. Al snel is niets meer te merken van de eerdere spanning. De kennis en ervaring die de studenten tijdens het onderzoek hebben opgedaan, komen prima tot hun recht in de gepresenteerde slides. Maar liefst 500 respondenten uit de beoogde doelgroep hebben input gegeven. In het onderzoek is gebruik gemaakt van Facebook en van de app Kahoot, waarmee de jongeren op hun smartphone ‘spelend’ hun antwoorden hebben gegeven. Antwoorden op actuele vragen als: Hoe bankieren jongeren? Wat vinden ze belangrijk bij de keuze van een bank? En wanneer switchen ze? Alle antwoorden worden met onderzoeksdata toegelicht. De vragen die bij de toehoorders opborrelen worden door de studenten adequaat beantwoord en in een levendige discussie komen nog meer -belangrijke- aspecten naar boven.

Ik zit te genieten. Zijn hier echt mbo-studenten aan het werk? Ja, natuurlijk zijn het echt onze ROC Rivor-studenten die daar staan. Maar ik zie ook een prestatie die je met evenveel gemak kunt verbinden aan wat je van een hbo’er kunt verwachten. Het is een voorbeeld van wat er gebeurt als je in een onderwijsomgeving ruimte laat voor de praktijk én je studenten het vertrouwen geeft dat ze zaken op hun manier mogen aanpakken. Daarmee krijgt het begrip “Aandacht voor jouw ambitie” een geweldige inhoud. Bovendien maak je op deze manier van de regio de school, of van de school de regio.

Echter, het mooiste gedeelte komt nog. Bij het presenteren van de aanbevelingen, ontstaat er onder de toehoorders een intensieve uitwisseling van gedachten en ideeën. Ze opperen verschillende manieren waarop de Rabobank acties zou moeten ondernemen richting de bankierende jeugd. Daarop volgt een -in mijn ogen- schitterende reactie, die de volwassenheid van deze studenten typeert. Op zich zijn de door de bankmedewerkers geopperde ideeën ‘Wel leuk’, maar ze passen niet zo bij de beoogde doelgroep, aldus onze studenten. De bedachte hulpmiddelen en kanalen zijn niet die van de jongeren; het zijn oplossingen van een andere, oudere generatie. Op zich niet erg, maar als je voor jongeren iets wilt doen en betekenen, moet je ook naar andere vormen durven kijken, buiten de bekende paden, stellen ze. Voor mij (en ik denk ook voor anderen) voelde het als een wake-up call. Probeer je in die ander te verplaatsen. Wat denkt hij/zij? Wat wordt belangrijk gevonden en hoe kan ik daar gevolg aan geven in de wereld van de ontvanger? Ik realiseerde me dat dit nog niet zo eenvoudig is, want hoe kom je los van je eigen ‘IK- perspectief’ en verplaats je je echt in de ander?

Voor mij was de bijeenkomst een voorbeeld van wat onderwijsfilosoof Gert Biesta ‘Het prachtige risico van onderwijs’ noemt. De presentatie was al een cadeau, maar wat er in het praktijkleren ter plaatse ontstond, was minstens zo belangrijk om onze studenten voor te bereiden op hun deelname aan de maatschappij.

 

Afbeelding

De ‘stond’ van het onderwijs

In april presenteerde het ministerie van OCW het rapport “de Staat van het Onderwijs”. De belangrijkste conclusie uit het rapport (in elk geval de enige die het nieuws haalde) was, dat de verschillen in kansen voor deelnemers de laatste jaren zijn toegenomen. In hoofdlijnen zijn vijf onderwerpen nader uitgewerkt: het niveau van het onderwijs, onderwijskansen, veiligheid en schoolklimaat, passend onderwijs en sturing op kwaliteit.

staatvanhetonderwijsHoge mate van rationaliteit
Wat direct opvalt, is de hoge mate van rationaliteit van de binnen deze onderwerpen behandelde factoren. Veel statistiek, altijd gebaseerd op gemiddelden voor alle scholen, en nogal gericht op prestatiekenmerken.

Gevaar van deze aanpak
Het gevaar van een dergelijke aanpak is tweeërlei.

Op de eerste plaats zal vrijwel geen enkele school zich herkennen in een landelijk gemiddelde, dus de voor de hand liggende vraag is: Wat is de positie van onze school en wat is een logische lokale vervolgactie?

Op de tweede plaats – veel belangrijker in mijn ogen – is de volstrekte eenzijdige kijk op rationele, functionele aspecten vervat in prestatie-indicatoren. Op geen enkele wijze wordt aandacht geschonken aan sociaal emotionele aspecten en contextfactoren, die in elke vorm van onderwijs orde van de dag zijn. De beleving van de docerende professional, de leerervaringen van deelnemers en andere belangrijke aspecten van onderwijs, zoals het voorbereiden van deelnemers op de maatschappij zijn mede bepalend voor de uitkomst van het onderwijsproces.

Gaat het nog wel over kwaliteit?
Het Nederlandse onderwijsniveau was en is hoog, maar het verschil met andere landen wordt steeds kleiner, vermeldt het rapport. Geen wonder, door het accent alleen te leggen op de prestatie-indicatoren, de rationaliteit van het onderwijs, stuur je de professionals – noodgedwongen – in een bepaalde richting. En – als een logisch gevolg daarvan – ga je, of je wilt of niet, sturen waarop je afgerekend wordt.

Zelfs het hoofdstuk over kwaliteit gaat inhoudelijk niet over kwaliteit! Of, ja toch: “er is weinig verbetering in kwaliteit van de lessen omdat leraren onvoldoende in staat zijn om per leerling de juiste lesstof aan te bieden”. Geen wonder, door alle bureaucratie is de lerares/ leraar meer bezig met administratie en verantwoording dan waar hij/zij voor is opgeleid. En dat terwijl een mogelijke oplossing voor het oprapen ligt.

Gebruik de expertise van de professionals
Geef de professional meer zeggenschap over de inrichting en de kwaliteit van de lesstof en betrek hem/haar bij de organisatie van het onderwijs en de daarmee verbonden processen van (sociale) zorg. Gelukkig maken we daar bij ROC Rivor werk van en gebruiken we de expertise van onze vakbekwame professionals. Maak meer, of moet ik zeggen weer, gebruik van het vakmanschap dat de professional kenmerkt. Daarmee wordt de ‘staat’ van het onderwijs snel de ‘stond’ van het onderwijs. Een ware professional zal mij daarbij niet alleen wijzen op de interessante structuuraspecten (de syntax), maar juist ook op de relevante betekenis (de semantiek) van dit speelse taalgebruik. Kijk, dat is wat ik bedoel met vakmanschap.

En daar waar de professional zich verantwoordelijk weet voor de kwaliteit van het onderwijs, komt het met die prestaties vanzelf goed. Het één is een logisch gevolg van het ander, daar ben ik van overtuigd!

—————————
De Staat van het Onderwijs”, hoofdlijnen uit het Onderwijsjaarverslag 2014/2015, Inspectie van het Onderwijs, Nederland